Van de eerste dagen der reis valt niet veel belangrijks te zeggen.

Toen de Hoofden, waar Engeland en Frankrijk het hoofd bijna aan elkander stooten, gepasseerd waren, had de loods zijn moeielijke taak verricht. Aan den ingang van het Kanaal ging hij over op den loodskotter, welke daar steeds kruisende is, om binnenvallende schepen van loodsen te voorzien, of de loodsen van uitzeilende schepen weer op te nemen. De man verliet het schip evenwel niet, zonder belast te zijn met een heele bezending 고액알바 in haast geschreven brieven, om de betrekkingen in het vaderland nog met eenige tijding omtrent het aanvankelijk welslagen der reis te verrassen.

Jan Vroolijk bleef natuurlijk niet achter, om te vertellen welk een onverwacht geluk hem en de zijnen te beurt gevallen was, door zijn vroegeren kameraad, Piet Vlug, hier als bootsman op de Maasdam terug te vinden. En wel mocht hij van geluk spreken; want tusschendeks, waar zooveel menschen waren opeengehoopt, was het lang niet alles. Zeeziekte, — vooral onder degenen, die voor dezen nog nooit den voet op een schip gezet hadden, — gevoegd bij een benauwde en drukkende warmte, maakte er het verblijf ver van benijdenswaardig.

In het voorschip daarentegen was het luchtig en frisch, en de kapitein had het verzoek van den bootsman, om zijn logies met een paar kennissen onder de passagiers te mogen deelen, gereedelijk toegestaan.

Dezen wenschten natuurlijk niets liever en maakten het er zich zoo gemakkelijk mogelijk.

Ook met de bemanning stonden zij weldra op een goeden voet. Jan Vroolijk toch, die het luieren en niets doen volstrekt niet gewoon was, en aan niets ter wereld meer hekel had dan aan stilzitten, hielp den volgenden dag reeds een handje bij het scheepswerk en gaf daarbij, nu zijn oude vroolijkheid te midden van zulk een opgewekte omgeving langzamerhand terugkeerde, ook al eens een kwinkslag ten beste. Zijn vrouw wist zich mede verdienstelijk te maken, door voor dezen en genen eens een knoop aan een broek te zetten of een scheur in een wambuis te herstellen.