Toen opende hij de deur voor—den beul. Maar tegelijkertijd 마사지구인구직 trad ook de eerwaardige geestelijke wederom binnen, die zich naast Nanning plaatste, wien de handen nu op den rug werden gebonden.

Op een enkel teeken van den Schout werd Nanning weggevoerd. De krijgsknechten wachtten hem aan de deur. Daar wendde Nanning het hoofd om en zag voor het laatst zijn broeder aan. Kalm stond deze in het midden van den kerker. In den blik, dien de broeders nu wisselden, lag al de liefde opgesloten, die zij voor elkander koesterden.

Maar nauwelijks was Geraert alleen of hij barstte in een jammerlijk snikken uit. En zijn hart kromp ineen bij elken klokketoon, die in het vertrek doordrong, en hij huiverde bij het geluid van het tromgeroffel, dat zijn broeder vergezelde op zijn vreeselijken tocht.

Geraert knielde neder en bad God om kracht voor zijn armen broeder …

Zoo bleef hij geruimen tijd liggen. Voortdurend drong het somber klokgelui tot hem door, [148]en in gedachten volgde hij Nanning op diens tocht.

Maar plotseling hoorde hij een hevig gedruisch en vernam hij de kreten: „Waar is de Schout? Waar is de Schout? Spoedig, spoedig, of een onschuldige sterft!”

Ontsteld sprong hij overeind. Een verward gedruisch van voetstappen en mannenstemmen naderde de cel, waarin hij zich bevond. De deur werd opengeworpen en een gerechtsdienaar trad binnen. Doch op het zien van den Schout, die nu onverwachts voor hem stond, deinsde hij achteruit.

„De Schout!” zeide hij, en nauwelijks had hij die woorden geuit, of een oude man drong zich met spoed naar binnen, en wierp zich voor den Schout op de knieën.

„Genade, Heer, voor een onschuldige! O, ik bid u, spaar zijn leven, spoedig, eer het te laat is! Ik ben de schuldige, Heer, ik alleen!”

„Groote Hemel!” riep Geraert doodelijk ontsteld uit, maar hij verloor geen oogenblik zijn bezinning.

„De terechtstelling wordt geschorst!” beval hij aan een zijner krijgsknechten. „Zorg, dat ge niet te laat komt!” [149]

En ijlings verliet de dienaar zijn plaats, om zich naar het marktplein te begeven, waar de veroordeelde zeker haast aangekomen moest zijn.

„Als hij maar niet te laat komt!” mompelde Geraert met samengevouwen handen. En nu viel zijn blik wederom op den ouden man, die nog altoos geknield voor hem lag.

„Spreek, oude, zeg mij de waarheid, want indien gij liegt, doet gij een vreeselijke misdaad. Dan zou hij immers tweemaal denzelfden doodsangst moeten uitstaan! En bovendien, hij heeft immers zelf bekend, de dader te zijn?”

„Dat heeft hij gedaan, om mij te redden, Heer,” antwoordde Hans de Vedelaar, want die was het, zooals de lezer zeker wel geraden zal hebben. „Hij is braaf en edelmoedig, Heer, en heeft zich willen opofferen voor mij. Maar dat kan, dat mag ik niet toestaan, Heer Schout. Hij is jong en ik ben een oud man. Mijn hoofd buigt zich reeds naar het graf. Ik heb den Alkmaarschen poorter gedood, niet hij, Heer.”

„Spreek de waarheid, oude. Wie zijt gij?”

„Een zanger en vedelaar, Heer, anders niet. Eenmaal, al jaren geleden, heb ik hem, [150]Lieven, mijn trouwen makker en reisgezel, zwaar gewond op den weg gevonden, beroofd van alles, wat hij bezat. Toen heb ik hem verpleegd en van den dood gered. Uit dankbaarheid neemt hij nu de schuld van mij op zich. O, hij is goed en edelmoedig!”

De oude man was ontroerd. De tranen stonden hem in de oogen.

„Dat is hij, als gij waarheid spreekt, zanger. Maar toch, hij is een speler en — —”

„Niet waar, Heer. Hij speelde niet mede; dat deed hij al in jaren niet meer. Het spel was zijn ongeluk geworden, zeide hij mij, en daarom raakte hij dobbelsteenen noch wijnkroes meer aan. O, dat ik niet te laat kome!”

„Dat geve God!” stamelde Geraert ontroerd. Hij ging naar het venster en keek naar buiten. Ha, daar zag hij een drom volks naderen. Twee krijgsknechten liepen hard vooruit, en waren het stadhuis bijna genaderd. Geraert snelde hen tegemoet. Hij sprak geen woord, maar hield vol spanning den blik op hen gericht.

„Wij waren nog juist bij tijds, Heer! Waren wij vijf minuten later gekomen, dan zou het vonnis voltrokken geweest zijn.” [151]

Het was Geraert bij die woorden, of hem een last van wel duizenden ponden van de schouders was genomen, en met een verruimd hart keerde hij naar den ouden man terug. Nu ontstond er een verbazende drukte voor het gebouw. Het volk had den gevangene, die zoo onverwacht den dood was ontkomen, vergezeld op zijn tocht herwaarts, en wachtte met spanning af, wat er verder gebeuren zou. Van mond tot mond ging de tijding, dat een oude man zichzelven als de dader had bekend gemaakt, en dat deze vrijwillig naar Alkmaar teruggekeerd was, toen hij vernomen had, dat men een onschuldige ging dooden. Maar nu men vernam, dat de jonge man zichzelven uit dankbaarheid voor den waren schuldige had willen opofferen, keek ieder hem met eerbied en ontzag aan. Ook den ouden man kon men niet haten, na zijn vrijwillige terugkeer, om zijn jongen vriend te redden.

Nanning werd in de cel binnengeleid, niet weinig nieuwsgierig, wat er gebeurd mocht zijn. Maar nauwelijks viel zijn blik op den ouden Hans, zijn goeden makker en den redder van zijn leven, of hij slaakte een kreet van smart. [152]

„O Hans, waarom hebt ge dat gedaan?” riep hij uit.

„Omdat ik moest, Lieven. Mijn geweten dwong mij er toe. Mocht ik dan een onschuldige laten sterven?”

„Arme, oude vriend, welk vreeselijk lot staat u te wachten!” riep Nanning bedroefd uit.

Maar nu voelde hij twee armen om zijn hals slaan.

„Nanning, mijn broeder!” hoorde hij zacht uitroepen.

’t Was Geraert, die zijn ontroering niet langer bedwingen kon en hem, voor de oogen van allen, die er omheen stonden, omhelsde.

„Geraert!” was alles, wat Nanning zeide.

Het is te begrijpen, hoe verwonderd de omstanders waren, en met welk een diep gevoel van eerbied en bewondering zij naar den Schout opzagen, die zelfs zijn eigen broeder ter dood verwezen had, toen hij dat zijn plicht achtte.

„Uw broeder?” vroeg Hans, met een tinteling van geluk in zijn oog. „O, Lieven, dat verheugt mij! Nu zult ge weer gelukkig worden. Welk een schoon leven ligt nog voor u!” [153]

„En voor u, mijn trouwe Hans?” vroeg Nanning bedroefd.

Thans wenkte de Schout een paar krijgsknechten, die zich naast Hans plaatsten.

„Ik moet u gevangen nemen, oude man. Dat is mijn plicht. Brengt hem naar de rechtszaal, en zegt den stadsbode, dat hij de Schepenen bijeenroepe. Gij behoeft den gevangene niet te boeien; dat is hier onnoodig!”

„Ik volg u, Hans, en zal vóór u getuigen!” riep Nanning hem toe.